Er was eens de Grote Niets. De Grote Niets had alles in zich. Meestal was het rustig in de Grote Niets. Het hoefde niets, het deed niets want het was niets. Op een gegeven moment begon er iets in de Grote Niets te veranderen. Het begon te borrelen, te glinsteren, te koken, groter te worden. De druk binnen in de Grote Niets werd groter en groter. Het was alsof het uit elkaar zou gaan spatten. Nog groter werd de druk en nog groter. Het kon niet anders dan dat het op een enorme explosie zou uit lopen. Er kwam hier een bult en daar een kleine uitbarsting. Stoom kwam uit alle gaten van de Grote Niets. Het leek wel een ballon die op knappen stond. De buitenkant werd zo dun dat je binnen in van alles zag gisten en kolken.

 

Het werd heter en heter in de Grote Niets. Het was duidelijk dat er geen houden meer aan was. De Grote Niets gaf zich over en liet het maar gebeuren. En ineens ……. Met een enorme knal spatte het omhulsel van de Grote Niets uit elkaar. Alles wat in de Grote Niets had gezeten, werd de enorme eindeloze ruimte in geslingerd. Tot in de verste uithoeken van het universum kwamen stukjes van de Grote Niets terecht. De Grote Niets keek ernaar en moest een beetje glimlachen. Het wist niet dat er zoveel in gezeten had. Hoe was het mogelijk dat al die sterren, planeten, zwarte gaten, melkwegstelsels, gaswolken en nog veel en veel meer, binnen in het omhulsel hadden gezeten. Het was eigenlijk zo ondenkbaar dat de Grote Niets zelf moeite had om het te beseffen. En toch was het zo. Zo simpel was het. Dit was er gebeurd en zo was het nu.

 

Alle stukjes die uit de Grote Niets gevlogen waren, vonden hun eigen weg. Alles kwam precies op de goede plek terecht: de sterren op de plekken waar de sterren moesten zijn, de planeten waar planeten moesten zijn, de zwarte gaten de gaswolken, de melkwegstelsels. Alles was precies goed. Hoe was het mogelijk?!

 

Na een poosje was alles wat met een rotgang uit de Grote Niets geslingerd was, een beetje tot rust gekomen. Alles was een beetje gewend aan de omgeving en aan de dagelijkse gang van zaken. De planeten draaiden keurig om de sterren, de sterren ontploften en ontstonden zoals het hoorde, de melkwegstelsels dreven rond op de manier waarop het moest. Hè, hè, even rust. Gelukkig was het toch allemaal helemaal in orde gekomen. Dat was een hele opluchting voor de Grote Niets.

 

Op een gegeven moment voelde de Grote Niets dat er ergens iets niet helemaal goed gegaan was. Het kon het niet helemaal bedenken, het voelde het wel. Wat was het toch? Ergens in een uithoek van waar alles neergekomen was, borrelde er wat op een manier die hij niet goed kon thuisbrengen. Het begon er eens aandachtig naar te kijken. Het keek en keek en wat zag het?

 

Wat het zag was een heel klein melkwegstelseltje in een uithoek van het uitgestrekte heelal. Met dat melkwegstelseltje was niets aan de hand. In elke zonnestelsel zat de zon keurig in het midden, de planeten draaiden er prachtig omheen zoals dat hoorde en om een paar planeten draaiden weer andere dingen. Niets aan de hand.

 

Op een gegeven moment werd het gevoel van de Grote Niets getrokken naar een heel klein planeetje in een klein melkwegstelseltje. Het was een prachtig planeetje. Schitterende kleuren, volmaakt rond, veel spul wat de mensen later “water” zouden noemen. En er was ook ander spul en dat spul zag er steeds weer anders uit. In menselijke woorden zou je het bergen, valleien, bomen, vulkanen, stranden, land, woestijnen en al die dingen noemen. De Grote Niets kende al die woorden niet. Het had maar één woord voor alles wat in hem had gezeten: spul. Alles was spul. En dat woord had hij zelf verzonnen omdat er iemand was om dat woord aan hem te vertellen. En als hij dat zelf niet verzonnen had, had hij helemaal geen woord voor alles gehad. Dus dat was weer mooi meegenomen.

 

Toen de Grote Niets al zijn aandacht op dat kleine planeetje had gericht, zag hij nog steeds niets dat niet pluis was. En toch voelde hij dat er iets aan de hand was. Hij zette zijn bril op. Die bril had hij ook zelf bedacht. Je moet wat als je ouder wordt. De Grote Niets was niet heel oud en hij vond het wel deftig staan, hoewel hij nooit in een spiegel had gekeken. Hij verzon zelf dus maar dat het deftig stond. Hij zette zijn zelfbedachte bril op en wat hij toen zag …….. Hij kon het niet geloven. Had dit allemaal in hem gezeten? Kon dit echt zo zijn?

 

Wat hij zag waren de meest schitterende landschappen, zeeën, wouden, uitgestrekte woestijnen, watervallen, bergen, vissen, vogels, dieren. Het was adembenemend. De tranen liepen bij de Grote Niets uit zijn ogen. Hij had geen ogen en tranen, maar hij bedacht ze gauw zodat het kon. Hij was zo ongelooflijk ontroerd door wat hij zag. Hij had nooit veel aandacht geschonken aan de kleine pluisjes in zijn binnenste en al helemaal niet toen het uit zijn binnenste weggevlogen was. En doordat hij het gevoel had dat er iets niet pluis was, is hij wel naar dit pluisje gaan kijken en zag het meest prachtige wat je je maar kon bedenken.

De Grote Niets werd er stil van. Dat was hij altijd al, maar nu voelde hij in zich dat hij stil werd. Zoveel schoonheid daar kun je niet niet stil van worden.

 

In die stilte hoorde hij geluiden. Hij had geen oren, dus die had hij ook snel bedacht zodat hij kon horen. Hij hoorde allerlei geluiden: het ruisen van het water, de geluiden van de dieren, de geluiden van de oceaan, van de vogels en van de wind. Wat was dat een mooi geluid: het geluid van de wind. Hij zweefde stil en luisterde een poosje naar de wind. Het leek wel of de wind hem een verhaal vertelde. Hij verzon dat de wind hem het verhaal vertelde van de grote explosie uit zijn binnenste. Dat bracht een glimlach op zijn lippen. Het was een zoete herinnering.

 

Toen de Grote Niets een poosje zo gezweefd had, luisterend naar de wind, hoorde hij ineens allerlei andere geluiden. Hij hoorde harde knallen, schreeuwen, huilen, nog meer knallen op allerlei manieren. Het schrikte de Grote Niets op. Hij kon niet schrikken dus bedacht hij maar dat het schrik was. Dit was heel anders dan alle prachtige geluiden die hij eerder had gehoord. Het was hard, en het deed de Grote Niets pijn. Hij wist niet wat pijn was, dus bedacht hij maar dat wat hij voelde pijn was. Hij vroeg zich af of dat ook in hem gezeten had. Blijkbaar wel, want het was er. En als het er was, dan had het in hem gezeten. Oeps, dat was even een hele andere kant dan al het mooie. Hij dacht dat in hem alleen het mooie had gezeten. En nu bleek er ook iets heel anders in te hebben gezeten.

 

Wat zag hij? Hij zag het ene stukje spul het andere stukje spul het leven zuur maken. Het ene stukje mepte soms het ander stukje en dan mepte het andere stukje weer terug. Soms hield het even op; dat dacht hij in ieder geval. Toen hij nog beter keek en luisterde met zijn zelfbedachte ogen en oren, merkte hij dat de stukjes dan wel ophielden met elkaar te meppen, maar dat dan het –noem het maar- meppen in hun hoofden, zo noemde hij het maar even, gewoon doorging. Wat een aparte stukjes waren dit. Heel even had de Grote Niets de gedachte: Waarom zijn de stukjes niet zoals ik? Waarom meppen ze er op los? Waarom zijn die stukjes niet blij met dat prachtige planeetje? De Grote Niets kon eigenlijk niet denken, dus verzon hij maar dat hij kon denken. En toen hij verzonnen had dat hij kon denken, verzon hij ook dat genieten beter was dan meppen. Zeker wist hij het niet; hij verzon maar wat. Dit was dus wat er niet pluis was met dat pluisje.

 

De Grote Niets nam zijn zweefhouding weer aan. In die zweefhouding lukte het hem het beste om van een afstandje te kijken naar zijn verzonnen zichzelf. Hij wreef zich met zijn zelf verzonnen hand over zijn zelfverzonnen kin en voelde zijn zelfverzonnen baard. In zijn zelfverzonnen denken, verzon hij een woord voor deze stukjes. Hij noemde ze voor het gemak: mensjes. Hij moest een beetje lachen om het woord. Ruziënde mensjes op een schitterend planeetje. Het leek wel, ja waarop leek het wel? Ach dat verzon hij nog wel eens.

 

Hij zweefde een poosje door het kleine melkwegstelseltje en was stil. De Grote Niets had ondertussen zoveel zelfverzonnen ervaring, dat hij diep in zichzelf voelde, dat ergens in hem er een antwoord lag voor wat hij gezien had. Hij voelde ook heel duidelijk dat zijn zelfverzonnen denken niet de oplossing zou geven. Zijn zelfverzonnen denken was heel goed om woorden te verzinnen, geluiden te horen, spul te zien. En daar was hij heel blij mee. Het antwoord dat hij zocht was het antwoord op de vragen: Is er iets mis gegaan bij de explosie? Waarom ruziën de mensjes elkaar op een schitterende planeet? Wat kan ik eraan doen?

 

Dat waren drie vragen. Misschien waren het niet de goede vragen. Als het niet de goede vragen waren, verzon hij wel weer andere. Hij verzon dat hij kon schrijven en hij verzon een pen en papier. Om de vragen niet te vergeten schreef hij ze maar eens op, nadat hij verzonnen had dat hij kon schrijven. OK, ik ga beginnen met de eerste vraag: Is er iets misgegaan bij de explosie? Dat was een hele ernstige vraag. Hij zette een zelfverzonnen ernstig gezicht op en trok diepe zelfverzonnen rimpels in zijn voorhoofd. Is er iets misgegaan bij de explosie: die vraag had twee stukjes: er is iets misgegaan, en, er was een explosie. De Grote Niets begon maar eens met de laatste. Hij had ook met de eerste kunnen beginnen. Er was een explosie: was dat wat er gebeurd was? Was dat wat er werkelijk gebeurd was? Wat was een explosie eigenlijk? De explosie had wel een poosje geduurd. Was het misschien geen explosie?

 

De Grote Niets schakelde zijn zelfverzonnen denken uit en werd stil. Hij liep via een verzonnen weg zijn zelfverzonnen binnenste in. Hij sloeg zijn verzonnen armen om zijn verzonnen zelf heen en begon op zijn verzonnen benen heen en weer te wiegen. Tranen drupten in zijn binnenste. Deze keer waren het geen tranen van ontroering. Deze keer was het anders. Hij voelde duisternis in zijn binnenste, verdriet, eenzaamheid. Allerlei andere gedachten kwamen voorbij zweven. Hij liet ze maar gaan. Wat moest hij ermee. Ze konden hem toch niet helpen. Misschien later wel.

 

Hij herinnerde zich het andere stukje van de vraag: Er is iets misgegaan. Ergens heel diep uit zijn binnenste kwam een andere vraag: Is er echt iets misgegaan? Kan er eigenlijk wel eens iets misgaan? Hoe had het er dan uitgezien als het goed gegaan was? De Grote Niets moest lachen. Hij had zelf de woorden goed en slecht verzonnen en nu merkte hij dat hij er in was gaan geloven. Hij was gaan geloven dat er iets slecht was en dat er iets goed was. En hij merkte dat hij daar nu last van had. Dat was een opluchting toen hij dat in zijn diepe binnenste vond. Hij had geen idee wat de betekenis daarvan zou zijn. Wat hij opmerkte was dat het even leek of er een klein lampje in zijn binnenste was aangestoken. Alles wat hij dacht had hij verzonnen, dus ook het lampje. Maar dat lampje was precies wat hem goed deed op dat moment. Hij maakt een zelfverzonnen sprongetje in zijn binnenste en pakte zijn vel papier voor de volgende vraag.

 

De volgende vraag was: Waarom ruziën de mensjes met elkaar op een schitterende planeet? Pffff, de Grote Niets blies door zijn verzonnen lippen zijn verzonnen adem uit. Dat gaf op het planeetje een hoop beroering en ineens zag hij dat er iets heel anders gebeurde. Het ruziën hield op en de mensjes kwamen samen om de handen naar de ander uit te steken. Er waren geen knallen en de Grote Niets hoorde allerlei andere geluiden. Ook voelde hij ineens iets heel anders in zijn binnenste. Dat gevoel leek op het lampje dat eerder daar was aangegaan en het leek op de ontroering die hij gevoeld had toen hij voor het eerst het prachtige planeetje zag. Wat apart, dacht de Grote Niets. De mensjes kunnen dus niet alleen ruziën en meppen naar elkaar; ze kunnen ook de handen naar elkaar uitsteken. Dat was heel interessant. 

 

Dit zette de Grote Niets aan het denken. Nou ja, denken was niet het goede woord. Het was meer voelend denken. Dat woord verzon hij ook maar. Hij begon ondertussen plezier te krijgen in het verzinnen. Waarom ruziën de mensjes met elkaar op dit schitterende planeetje? Nu kwam er een tweede vraag bij: Waarom steken de mensjes de handen naar elkaar uit op dit schitterende planeetje? De Grote Niets kwam tot een conclusie. Conclusie vond hij een heel gewichtig woord. Hij had geen idee wat het was, maar het woord vond hij prachtig. En de conclusie was: de mensjes ruziën met elkaar EN de mensjes helpen elkaar. Dat was heel bijzonder. Als ik blaas dan helpen ze elkaar en als ik niet blaas dan ruziën ze.

 

Dat bracht de Grote Niets meteen de derde vraag in herinnering: Wat kan ik eraan doen? De Grote Niets dacht: Goed, dan blijf ik maar blazen dan blijven ze elkaar helpen. Dat leek hem de beste oplossing. Was het ook de beste oplossing? Was dat de oplossing die uit zijn binnenste opkwam? Of was dat de oplossing die een gedachte hem had verteld? Wilde hij dan steeds maar blijven blazen? En als hij altijd zou blijven blazen, wat zou er dan met de rest van alle stukjes in het heelal gebeuren? Wist hij zeker dat dat nu het beste was? De Grote Niets deed zijn verzonnen ogen dicht en werd stil. Hij liep zijn weggetje naar binnen en sloeg zijn armen om zich heen en wiegde zich heen en weer. Is dat het beste? Is dat echt het beste? Er kwam iets heel anders uit zijn binnenste naar boven borrelen. Hij durfde er nauwelijks naar te kijken. Dat wat naar boven kwam borrelen leek wel een draaikolk. Hij verzon dat een draaikolk er zo moest uitzien. Het leek wel of alles wat uit hem was gekomen weer terugging in hem: alle zonnen, melkwegstelsels, planeten, gaswolken, grote gaten en ook het kleine prachtige planeetje met de stukjes spul die hij mensen genoemd had. Toen het in zijn gedachten allemaal weer in hem was, ging het er daarna ook allemaal weer uit en kwam op precies dezelfde plekken neer. En jawel, het kleine planeetje kwam ook weer precies op die plek terecht. En op dat planeetje gebeurde weer precies hetzelfde: uiteindelijk maakten de mensjes ruzie en hielpen mensjes elkaar.

 

De Grote Niets zag dat dat het antwoord was op alle vragen die hij had. Hij zette het nog eens op een rijtje: Is er iets misgegaan bij de explosie? Waarom ruziën de mensjes met elkaar op dit prachtige planeetje? Wat kan ik eraan doen?

 

De Grote Niets liet de vragen nog een keer diep in zijn binnenste doordringen. Hij wachtte en wachtte. Hij wachtte tot het antwoord ergens uit zijn diepe binnenste naar boven kwam. Hij nam alle tijd. Hij voelde dat het antwoord op deze vragen voor hem van het allergrootste belang was en daarom nam hij alle tijd. Hij had toch niets anders te doen. Heel langzaam begon er iets naar boven te komen. Het was meer een gevoel dan een gedachte. Misschien was het meer een beeld dan een gevoel. En toen was het weer een gedachte. Het veranderde steeds. De Grote Niets kende dat. Hij werd er niet heet of koud van. Hij wist heel diep in zichzelf dat op een gegeven moment er iets kwam wat zo ontzettend waar was dat hij er niet meer omheen zou kunnen.

 

Hij keek voor zich uit in het niets en bleef alles voelen wat er in hem was. Het begon een beetje te kriebelen. De Grote Niets wist dat het niet lang meer zou duren. Het antwoord kwam en hij kon het nauwelijks geloven. Was het zo eenvoudig? Blijkbaar wel. Het antwoord op de drie vragen was bijna hetzelfde en een heel klein beetje verschillend. De eerste vraag: Is er iets misgegaan bij de explosie? Het antwoord dat naar boven kwam was: Nee, er is niets misgegaan bij de explosie omdat het zo gegaan is zoals het hoorde te gaan. Tja er was geen speld tussen te krijgen. De volgende vraag: Waarom ruziën de mensjes met elkaar op dit schitterende planeetje? En alweer kwam er een antwoord naar boven dat de Grote Niets nogal verbaasde en hij moest er gewoon om lachen. Het antwoord was: De mensjes ruziën met elkaar omdat zij niet beter weten, ze kunnen niet anders, anders deden zij wel anders. En toen het antwoord op de laatste vraag: Wat kan ik eraan doen? Hij was heel benieuwd naar dit antwoord. Hij wilde zo graag iets eraan doen. Het antwoord kwam: Wat je eraan kunt doen heb je al gedaan en doe je nu. Hmm, het leek wel een antwoord van een orakel. Hij snapte het niet helemaal en toch voelde hij wel dat het klopte.

 

De Grote Niets zette de drie antwoorden achter elkaar: Nee, er is niets misgegaan bij de explosie omdat het gegaan is zoals het hoorde te gaan. De mensjes ruziën met elkaar omdat zij niet beter weten, ze kunnen niet anders. Wat je eraan kunt doen heb je al gedaan en doe je nu.

 

De Grote Niets liet de antwoorden diep op zich inwerken. Hij wilde zo graag een conclusie trekken. Ten eerste omdat hij het zo gewichtig vond om een conclusie te trekken en ten tweede omdat zijn gedachten het nodig vonden om een conclusie te trekken. Op een gegeven moment trok hij de conclusie die hem heel in de verte bekend voorkwam. Hij had hem ooit eens eerder gehoord. De conclusie was: Het is. Meer niet; geen grote volzinnen met alle woorden die de Grote Niets verzonnen had. Geen zinnen met prachtige nieuwe woorden. Gewoon, twee woorden die zo simpel waren, heel weinig letters hadden en er een beetje onooglijk uitzagen: Het is. Was dat nou het resultaat? Resultaat vond de Grote Niets ook zo’n mooi woord.

 

Het is. Dat was het dus. Daar kon de Grote Niets een heleboel variaties op bedenken: Het gaat zoals het gaat; de werkelijkheid is wat het is; wat er is, is er; zoals het nu is, is het nu. De Grote Niets kreeg lol in al die variaties. Hij speelde met de woorden en verzon alle combinaties die hij maar kon bedenken. Hij voelde zich steeds vrolijker en lichter worden. Het kleine lampje in zijn binnenste begon steeds helderder te schijnen. En dat maakte de Grote Niets ook heel blij. Hij moest aan zichzelf toegeven dat hij er toch wel mee gezeten had dat er misschien iets niet goed gegaan was. Het plezier van de Grote Niets werd steeds groter. En omdat hij zich zo plezierig voelde, scheerde hij heel ondeugend, als een klein vrolijk kind, vlak langs het kleine mooie planeetje en zijn plezier kwam als kleine waterdruppeltjes terecht op het oppervlak.

 

Het waren geen gewone waterdruppeltjes, die waren er voldoende. Het waren waterdruppeltjes die gevuld waren met plezier en er zat ook een klein lampje van de Grote Niets in. En het meest bijzondere aan de waterdruppeltjes was dat het oppervlak zo glanzend was dat je je erin kon bekijken; het was net een spiegeltje. De Grote Niets had een handvol – en de Grote Niets had grote handen – over het kleine planeetje gegooid. De meeste druppeltjes kwamen in gebieden terecht waar geen mensjes waren. Én er kwamen druppeltjes terecht in gebieden waar wel mensjes waren.

 

De Grote Niets wachtte in spanning af wat er ging gebeuren. Zouden de mensjes het herkennen, zouden ze het oppakken of zouden ze er wat anders mee doen? De Grote Niets had zo langzamerhand geleerd om rustig te wachten.

 

Wordt vervolgd …